Wat is er met mijn kind?

Op 7 juni 2018 voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken, toen bleek dat onze dochter Soleil van zestien haar spraakvermogen van het ene op het andere moment kwijt was. Omdat ze niet kon praten, liet ze me het bericht zien dat ze kort daarvoor aan haar vriend had gestuurd. Wartaal en niet bestaande woorden. Ik schrok me kapot, al deed ik mijn best om dat niet aan haar te laten merken.

 

Wartaal

Net leg ik de laatste hand aan mijn mascara, als langzaam de deur van onze slaapkamer opengaat. Ik draai me om en kijk in het ontredderde gezicht van Soleil. Grote schrikogen, ze grijpt naar haar hoofd. Er komt geen woord over haar lippen. Ik loop naar haar toe en pak haar handen. ‘Wat is er liefie?’, vraag ik. Haar mond gaat open, er volgt geen geluid. Ze gaat op ons bed zitten en doet een nieuwe poging woorden te vormen. Ik meen aan haar te zien dat ze wel in haar hoofd de juiste letters aaneenrijgt, maar dat ze de klanken niet naar buiten krijgt. Haar schrik begint op mij over te slaan, helemaal als ze mij haar telefoon geeft, waar ik het bericht lees dat ze zojuist aan haar vriend heeft gestuurd.

 

‘Liefie, weet je hoe je heet?’, vraag ik. Ze knikt en perst er een klank uit. ‘Ol’, zegt ze. En meteen daar achteraan, half huilend: ‘Nou!’ Ik ben allang blij dat ze een geluid heeft weten te produceren, dus ik ga door met vragen stellen. Ik vraag haar of ze haar achternaam kan zeggen, of ze weet hoe haar broer en zus heten. Veel verder dan enkele lettergrepen, die met wat fantasie de klank van het gevraagde antwoord in zich dragen, komt ze niet. Het enige woord dat ze bij herhaling adequaat kan uitbrengen is ‘nou’. Het is hartverscheurend om te zien en tegelijkertijd zo angstaanjagend, dat ik me heel even in spagaat voel over de volgende, juiste stap. Wat moet ik DOEN?

 

Fout!

‘Nou!’ Soleil is nu echt in tranen. Wat moet dat angstig zijn voor haar en ook frustrerend, om de woorden te weten en ze niet te kunnen zeggen. Mijn handen trillen als ik naar het trapgat loop en naar beneden roep: ‘Lief, kun jij je afspraak afzeggen? We moeten even met Soleil naar de dokter.’ Het gezicht van Chris verschijnt onderaan de trap. ‘Wat is er dan?’, vraagt hij. Ik werp hem een veelbetekenende blik toe en mime: GAAT FOUT!

 

Binnen een paar sprongen is Chris boven. Ik vertel in telegramstijl wat mijn waarneming is. Zachtjes help ik Soleil van ons bed en vraag of ze hoofdpijn heeft, duizelig is, misselijk is. Ik kijk of ze overmatig transpireert, hoe haar ogen staan, of er een oog of mondhoek hangt. Ik denk aan een paar dingen: TIA, hersenbloeding, tumor, epileptische episode. En al die dingen wil ik niet denken. En wat ik nog dieper niet wil, is dat zij dat denkt. Dus laat ik niets merken. Dus besluit ik om niet nog meer paniek bij haar te veroorzaken. Omdat ik al die verschijnselen waarop ik haar check niet waarneem, neem ik de beslissing om eerst de huisarts te bellen. Als ik dit vertel, knikt Soleil instemmend.

 

Hulp

Ik ben alleen vergeten om op de klok te kijken. Het is half acht, de praktijk is pas om acht uur open. Ik bel evengoed en krijg allereerst te horen dat onze eigen huisarts op vakantie is. Daarna hoor ik via een keuzemenu dat ik 1 moet intoetsen om voor spoed te worden doorverbonden. Dit blijkt alleen op te gaan tijdens praktijkuren. Ik toets 1 en gebeurt niets. Oelewappers. Ik blijf met Soleil praten, aan haar voelen, vragen of ze klachten heeft. Op mijn vraag: ‘Kun je goed zien?’, zegt ze zacht: ‘N.’ ‘Na.’ ‘NOU!’ En dan: ‘Neeeeee.’

 

GVD (excusez le mot). Ze praat! Goed. En ze kan NIET goed zien! Kut. Ik zeg zachtjes: ‘Liefie, ik denk dat ik het beste 112 kan bellen. Met een angstige en droevige blik schudt ze haar koppie. Ik kan wel janken. Universum, help! Ik kom razendsnel tot een compromis-idee. Ik bel de huisartsenspoedcentrale en meteen als ik iemand aan de lijn heb steek ik van wal. Ik kan opnieuw wel janken en nu van blijdschap, want wat een doortastende vrouw staat me te woord!

 

Zij stelt dezelfde vragen aan mij, als ik eerder aan Soleil stelde. Hierna geeft zij me opdrachten, die ik Soleil moet laten uitvoeren. Ze volbrengt ze allemaal adequaat. Langzaam begint ze ook weer haar spraak terug te krijgen. Eenlettergrepige woorden kan ze weer zeggen en dan ineens hoor ik: ‘Fairtrade hagelslag.’ Even denk ik dat ze nu helemaal de weg kwijt is, als ik zie dat ze de tekst op het pak broodbeleg aan het lezen is. Hardop. Goddank!

 

Arts

Ik vertel de vrouw aan de telefoon wat er zojuist gebeurde. Die is nog niet zo opgetogen als ik en ze zet me in de wacht om met een arts te overleggen. Dan hoor ik: ‘Mevrouw, het is nu tien over half acht. U kunt om acht uur de huisarts bellen. Ik wil graag dat u een paar dingen doet. Allereerst zorgen dat u direct, ik zeg: direct bij de huisarts terecht kunt. Verder moet u mij beloven dat u meteen, ik zeg: meteen opnieuw contact met ons opneemt als er iets verandert in negatieve zin binnen nu en twintig minuten.’ Ik beloof het en neem afscheid.

 

Om stipt acht uur bel ik de huisartsenpraktijk. Ik kies een willekeurige vervanger van onze eigen huisarts en krijg zijn assistente aan de lijn. Staccato vertel ik wat er aan de hand is en dat ik de opdracht heb gekregen Soleil met spoed door een dokter te laten zien. ‘Ik kijk even wie er plaats heeft’, zegt de assistente. Na minutenlange stilte is ze terug. ‘U kunt om kwart voor tien komen.’ Verbijsterd zeg ik: ‘Mevrouw, er is haast bij.’ En opnieuw vertel ik het hele verhaal, inclusief mijn contact met de spoedcentrale. ‘Nou, ik heb hier anders helemaal geen melding in het systeem van uw contact met de centrale’, durft ze te zeggen. Ik voel een diepe kalmte over me heen komen, als ik antwoord: ‘Wij komen er nu aan. Het is acht uur, kwart voor tien is geen spoed.’ ‘Moment, ik overleg nog even,’ roept ze nerveus en weer is het stil.

 

Inadequaat

Ik vraag aan Soleil hoe het gaat. Inmiddels heeft ze aan één kant hoofdpijn en is het zicht in haar rechteroog half weggevallen. Ik herhaal de testen met haar, die volbrengt ze nog steeds naar behoren. Ik kan hierdoor rustig blijven en besluit de assistente een herkansing te gunnen. Daar is ze hoor, en wát een geweldig nieuws. Kwart voor tien is veranderd in tien over negen! Applaus! ‘Nee, we komen nu!’, weet ik met ijs in mijn stem uit te brengen. En ik verbreek de verbinding. Wat een doos.

 

In de auto kruip ik naast Soleil op de achterbank. Ze schenkt me een scheef lachje. ‘Ik ben zo moe, mama’, fluistert ze. Ik houd haar hand vast en strijk over haar haar. Mijn lief kindje. Wat heb ik met haar te doen. ‘Ja liefie, ik begrijp dat je moe bent. Maak je maar geen zorgen, het gaat steeds beter met je en zo direct kijkt er een arts naar je.’ Ik doe mijn uiterste best om het vertrouwen dat ik uitspreek ook evenredig te voelen. Het lukt maar half, ik ben nog niet helemaal uit de schrikmodus.

 

Dokter Bart

We melden ons bij de receptie. Daar blijkt bekend te zijn dat wij voorrang dienen te krijgen. Binnen een kwartier (wat natuurlijk veel te lang is als er sprake zou zijn geweest van een TIA of hersenbloeding) worden we binnengelaten door dokter Bart; een wilde kop donkerblonde krullen, gespierde armen en lieve ogen. Ik schat hem midden twintig. Mooi zo, denk ik. Jong is ambitieus. Is goed.

 

Dokter Bart hoort ons verhaal en kijkt naar onze prachtige dochter. Zijn handen trillen als hij haar bloeddruk en hartslag bepaalt. Zou ik ook hebben als ik midden twintig was en ineens zo’n pareltje tegenover me had. Het zou ook kunnen dat hij het zaakje niet vertrouwt en dat hij de verantwoordelijkheid van de juiste beslissing zwaar op zijn schouders voelt drukken. Ik besluit het laatste als reden aan te nemen. Na nog wat vitale functies te hebben getest, leunt dokter Bart achterover in zijn stoel.

Met zijn blik peinzend schuin omhoog gericht, deelt hij mede: ‘Ik moet even nadenken.’ Op de een of andere manier vind ik dat geruststellend. En ook zie ik meteen mijn kans schoon om te vragen: ‘Wat is je twijfel?’ ‘Ik wil Soleil sowieso laten zien in het ziekenhuis. Ik twijfel alleen of ik de neuroloog of de kinderarts zal bellen. Ze valt een beetje tussen wal en schip.’ Verschrikt rukt hij zijn blik los van de blauwe hemel waarin hij al pratend was blijven staren en richt deze strak op mij. ‘Ik bedoel: dat gaan we natuurlijk juist voorkómen, dat Soleil tussen wal en schip valt!’, herstelt hij zijn vergeeflijke fout.

 

Hij vervolgt: ‘Waar ik aan denk is een geïsoleerde migraine. Dit wordt ook wel een hemiplegische migraine genoemd. Ik vind de klachten van Soleil alleen wel atypisch. Zo vind ik dat de aanval erg lang geduurd heeft, meestal is dat geen drie kwartier tot een uur. En verder vind ik het vreemd dat ze gedurende de aanval geen andere migraineklachten had, zoals misselijkheid, hoofdpijn en bijvoorbeeld lichtflitsen.’

 

Actie

Dokter Bart is op dreef. Ik drink zijn woorden in, want informatie is het enige waarop ik mij op dit moment kan verlaten. Dokter Bart vervolgt: ‘Ik vertrouw het genoeg om jullie nu naar huis te sturen. Ik bel zo direct met het ziekenhuis en dan bel ik jullie om de volgende stap door te spreken.’ Goed zo Bart, denk ik. Jij bent een topper. Dat wilde ik horen.

Soleil gaat thuis meteen in de tuin op een matras onder de veranda liggen. Kapot is ze. Ik loop naar mijn werkkamer om mijn mail te checken in afwachting van het telefoontje van dokter Bart. En tussendoor loop ik iedere tweede minuut naar ons dakterras, van waar ik Soleil kan zien. ‘Gaat het?’, roep ik telkens naar beneden. En dan steekt zij haar duim op. Goed mama, lees ik in haar gebaar. Als dat ritueel zich een paar keer herhaald heeft, hol ik terug naar mijn kantoor om in gierende uithalen mijn schrik eruit te huilen.

 

Ik heb mijn twee dichtbijste vriendinnetjes, met wie ik de Drie Musketiers vorm, een bericht gestuurd over wat er aan de hand is. De een is in Zwolle, die kan niet veel meer doen dan ons van een afstandje steunen. De ander springt op haar fiets en staat binnen een paar minuten bij ons voor de deur om te vragen wat ze voor ons kan doen. Ze heeft een jampot met citroenmelisse en munt bij zich, met daaraan een kaartje: Theetuintje voor Soleil. Kus L.

 

Spoedeisende hulp

Telefoon. Dokter Bart. ‘Ik heb contact gehad met dokter Vlohil. Zij is neuroloog en gespecialiseerd in kinderen en jongeren. Jullie kunnen nu meteen naar de spoedeisende hulp’, meldt hij. Ik begrijp van hem dat dokter Vlohil op afstand tot een vergelijkbare conclusie is gekomen als hijzelf heeft getrokken en dat het om een vorm van migraine gaat. ‘Maar, omdat de klachten van Soleil atypisch zijn voor dit beeld, wil dokter Vlohil haar toch nader onderzoeken,’ beëindigd dokter Bart zijn betoog. ‘Ik zal even kijken of ik nog een patiëntenkaart van Soleil heb’, zeg ik praktisch. Dokter Bart verzekert me dat dat helemaal niet nodig is; ik kan me bij de receptie melden en dan gaat de rest vanzelf, we zijn tenslotte “spoed”. Ik bedank hem en loop naar beneden, benieuwd hoe Soleil zal reageren op het feit dat ze toch naar het ziekenhuis moet.

‘Oké, dat vind ik wel fijn. Ik maak me toch wel zorgen’, antwoordt Soleil. Chris is inmiddels alsnog vertrokken naar een afspraak en samen met mijn lieve dochter, die slapjes en aangeslagen overkomt, stap ik in de auto, op naar de spoedeisende hulp. Daar aangekomen melden we ons zoals afgesproken bij de receptie. Aan de andere kant van het gewapende glas zit een vrouw. Haar gezicht heeft de vorm van een aubergine; langgerekt met aan de onderkant een bolling rond haar kaken. Haar haar hangt in sluike, geelblonde pieken langs haar wangen, aan beide kanten steken haar oren als kroepoek door de slierten heen. De glazen van haar ronde bril met goudkleurig montuur spiegelen zo, dat ik me een beetje moet bukken om haar ogen te kunnen zien. Die zijn waterig blauw, haar buitenste ooghoeken hangen naar beneden, evenals haar mondhoeken.

 

Protocollen

‘Ja, zegt u het maar’, begint ze weinig uitnodigend. Haar stem klinkt net zo ongemotiveerd als haar uitdrukking doet vermoeden dat ze is. Daar kan ik natuurlijk niet over oordelen. Misschien is deze vrouw wel door zoveel verdriet heengegaan, dat ze de boel in haar gezicht niet meer op orde krijgt. Ik noem de naam van Soleil en die van dokter Vlohil, inclusief de bepalende opmerking dat die twee een afspraak met elkaar hebben. Even kijkt de receptioniste me wantrouwend aan, alsof ik haar iets op de mouw aan het spelden ben, alsof ik een verhaaltje sta te verzinnen omdat ik dolgraag toegang wil tot de afdeling spoedeisende hulp.

Ik neem een afwachtende houding aan, intussen Soleils hand wrijvend. ‘Gaat het?’, fluister ik tegen mijn moppie. We glimlachen tegen elkaar. Ze begrijpt alles weer, ze weet precies wat ik denk en ze glimlacht. ‘Heeft u een ID bij zich?’, vraagt de receptioniste aan Soleil. ‘Nee, het spijt me’, antwoord ik namens mijn kind. Ik heb nog met de huisarts overlegd, en hij zei dat we geen tijd mochten vermorsen en dat we evengoed wel zouden worden geholpen.’

Dit laatste is een kwinkslag, maar evenals aan uitstraling, ontbreekt het de vrouw aan inlevingsvermogen en humor. ‘Dat is vervelend. U moet altijd een ID op zak hebben.’ Hier laat de receptioniste het bij. Ik raad: ‘En anders kunt u ons niet helpen?’ ‘Nee, dat is lastig,’ zegt ze. Ik kijk Soleil niet aan, want ik weet zeker dat we dan gaan lachen en ik weet ook zeker dat deze vrouw zich dan uitgelachen voelt en nog minder tot een coöperatieve houding in staat zal zijn.

 

Lachen

Gelukkig kán ik weer lachen. Kan ik weer de grap van de situatie inzien. Ben ik niet meer zo verschrikkelijk ongerust dat ik alleen maar kan klapwieken en hyperventileren. Het gaat goed met mijn kuiken. Goed genoeg voor nu. Er is ruimte voor een lach. ‘Dat wordt lastig?’, herhaal ik. ‘Met andere woorden: als ik hier binnengebracht word met zwaar hersenletsel en ik ben buiten bewustzijn, dan kan ik niet geholpen worden als ik mijn ID niet bij de hand heb? Dan word ik weggestuurd?’ Met haar neus opgetrokken om zoveel brutaliteit begint de vrouw te praten. Ze is echter vergeten op het intercomknopje te drukken, waardoor wij haar door het dikke glas heen zien articuleren, zonder haar te horen.

‘Wij horen u niet, mevrouw,’ zeg ik dwars door haar praatbewegingen heen. ‘Verstoord kijkt ze naar beneden waar blijkbaar de knop zit en drukt erop. Ze neemt niet de moeite haar hele betoog opnieuw af te steken, waar ik haar dankbaar om ben. Ze trakteert ons op het staartje: ‘We sturen niemand weg, alleen moet iedereen vanaf 21 juni aanstaande…’ Ik draai me ostentatief om. Serieus zeg, schiet op. Omdat ik niet meer luister naar de lessen in regelgeving, blikkert haar stem door het glas: ‘U zult alleen zeker weten last krijgen met de verzekering!’

‘Gaat dat ook op voor bewusteloze mensen met hersenletsel, die hier liggend worden binnengebracht?’, vraag ik zoetjes. ‘Want weet u, wij staan dan wel rechtop, maar het is hier de SPOEDEISENDE hulp, mevrouw. Dat is godbetert de afdeling waar je normaliter niet tien kostbare minuten staat te verknoeien aan een discussie over regels en identificatieplicht, of over de kans op loyaliteit van je verzekeraar.’ ‘Gaat u daar zitten’, perst ze eruit, en ze wijst op de wachtruimte achter ons.

 

Nooit meer wachten

We zitten nog niet, of er komt een lief ogende, glimlachende eerste hulp verpleegkundige binnen. Haar haar is gitzwart en glanst als een kristallen glas. Haar huid heeft de kleur van donkere honing en met haar diepzwarte ogen kijkt ze Soleil bezorgd aan. ‘Soleil van Vleuten?’, vraagt ze ter controle. Soleil knikt. ‘Kun jij praten?’, vervolgt ze. Opnieuw gaat het hoofd van mijn jong op en neer en zacht zegt ze: ‘Ja, nu weer wel.’

De verpleegkundige gaat tegenover Soleil zitten en vestigt een priemende blik op haar. ‘Oké, dus wij hoeven jou nu niet met spoed aan een bloedverdunnend infuus te leggen. Maar luister goed. De eerstvolgende keer dat je weer zoiets meemaakt, dan bel je direct, ik zeg: direct 112! Afgesproken? Want we willen natuurlijk niet dat er iets ernstigs is en dat we je dan te laat hier hebben.’
Soleil kijkt de vrouw enige tijd aan, waardoor zowel de verpleegkundige als ik op het punt staan alsnog ongerust te worden. Dan zegt mijn kind, spitsvondig: ‘Bellen en praten, dat zijn nu net twee dingen die ik niet kan als ik heb wat ik vanochtend had.’

‘Hm’, doet de assistente, ‘ja, daar heb je een punt. Oké, dan spreken we het volgende af. Je vertelt je hele, en ik zeg: je hele omgeving dat je dit hebt gehad. En als er ook maar even twijfel bij iemand ontstaat over het feit of jij normaal of anders doet, dan bellen zij voor jou meteen, ik zeg: meteen 112. Afgesproken?’ We spreken het af. Had ik al gezegd dat ik van doortastend handelen en adequaat concluderen houd? En dat ik het fijn vind als mensen benadrukken, ik zeg: benadrukken wat ze bedoelen? Zo weten wij precies wat de aandachtspunten zijn en is het eenvoudig om de hoofd- en bijzaken te scheiden.

 

Wachten

We worden opgehaald door Martin, de zaalverpleegkundige op sectie C, waar Soleil bed 1 krijgt. De zaal bevat vier bedden, alle leeg. Martin laat Soleil kiezen of ze wil liggen of zitten. Ze kiest voor het bed met antidecubitus matras. Lekker zacht, en ze is bekaf. Ik neem plaats op de stoel naast het bed en aai haar hoofd.

Wat volgt is een aaneenschakeling van wachtmomenten, Martin die ieder halfuur komt vragen hoe het gaat en passerende personen die zich in verschillende staten van haast of beheersing door de gang bewegen. We hebben er goed zicht op; het bed van Soleil staat recht tegenover de open deur. Ik houd intussen Soleil scherp in de gaten. Met haar toestemming heb een enkele zin op Facebook gepost: ‘Spoedeisende hulp neurologie met Soleil’. Eenmaal in het ziekenhuis wil ik deze zin nuanceren en er wat meer details aan toevoegen over de status op dat moment, als blijkt dat we allebei nagenoeg geen batterij meer hebben en ik in de consternatie vergeten ben een oplaadsnoer in mijn tas te gooien.

Ik heb die kreet op Facebook gezet, omdat ik weet dat er een heel aantal bekenden in Alkmaar wonen of werken. En omdat Chris er niet bij is, is dit mijn manier om in één klap een groep mensen te mobiliseren, mocht ik hulp nodig hebben. Dat blijkt uit te pakken zoals ik hoop, want een vriendin werkt om de hoek en die geeft aan dat ik maar hoef te roepen of ze komt eraan. Een andere vriendin geeft mij instructies hoe ik Soleil een energy healing kan geven. En zo zijn er nog een aantal mensen die lieve, attente dingen aanbieden, waar we heel blij mee zijn.

Ik kijk met een schuin oog naar de hoeveelheid power die mijn telefoon nog heeft. Ik wil zoveel mogelijk sparen, om Chris op de hoogte te kunnen houden. De mensen die op mijn Facebookpost reageren met een concrete vraag, krijgen via WhatsApp antwoord. De anderen, die ons sterkte wensen, krijgen een like.

 

Anamnese

Daar is een arts in opleiding. Zij neemt een uitgebreide anamnese af en onderzoekt Soleil grondig op de verschijnselen van een hersenbeschadiging. Ze neemt lang de tijd en vraagt naar onze bezorgdheid. Ik laat haar weten dat ik normaal gesproken al snel voel: ik heb dit onder controle. En dat dat vanochtend absoluut niet zo was. Ze begrijpt de schrik en nogmaals nemen we de klachten door, de volgorde en de mate waarin ze zich voordeden. Ook zij komt tot de conclusie dat de verschijnselen voor een of andere vorm van migraine toch wel echt afwijkend zijn.

Dit stelt ons niet gerust. Ik merk aan Soleil dat dat zij het gehorlepiep om zich heen zat begint te worden. Bij mij beginnen er nieuwe alarmbellen te rinkelen. Ik vraag: ‘Wanneer komt de neuroloog?’ Ik merk dat ik haast heb en behoefte aan een supervisor, iemand die beslissingsbevoegd is en zich kan beroepen op een lange ervaring. De arts in opleiding belooft direct haar bevindingen met dokter Vlohil te delen.

 

Neuroloog

Ik weet niet hoeveel later, een uur misschien, komt dokter Vlohil aan Soleils bed. Intussen heeft mijn telefoon nog zeven procent batterij en heb ik bij niemand een snoer kunnen lenen. Dokter Vlohil doet weer dezelfde en ook nog een heel aantal andere testen, vraagt nog dieper door en komt tot de slotsom dat we terecht bezorgd zijn geweest.

‘Ik neig het meeste naar een hemiplegische migraine, zoals ik aan de telefoon met de huisarts ook al dacht. Maar ik vertrouw het niet, omdat bij jou’, en hier kijkt ze Soleil doordringend aan, ‘de klachten ook op iets anders kunnen duiden. Ik denk niet aan een epileptische aanval, maar kan zo aan de buitenkant niet een TIA uitsluiten. Ik zie geen restverschijnselen die hierop kunnen duiden en het komt ook bijna nooit voor bij jongeren. En hetzelfde geldt voor een hersenbloeding. Het kan dat je een klein bloedinkje hebt gehad. Of misschien zit er iets anders in je hoofd. Om dat zeker te weten, wil ik een MRI-scan laten maken.’

 

Trots

Na dit betoog gebeuren er een paar dingen. Ik ben blij dat Soleil een scan krijgt. Ik was niet naar huis gegaan zonder dat dit gebeurd was. En ik ben ook opnieuw hevig ongerust. Niet alleen vanwege de huidige situatie, maar ook omdat de hele ziekenhuis-scène een heel blik aan nare herinneringen bij me heeft opengetrokken.

Soleil is erg mondig. ‘Ik ben blij dat u een scan voorstelt, want ik wil het zeker weten!’ Ik vind haar dapper en ben trots op haar. Trots ook op ons, omdat wij dit samen kunnen. ‘Dat begrijp ik’, zegt dokter Vlohil. Ik kan haar het beste typeren als een beeldschone wandelende glimlach. Haar hemelsblauwe ogen lachen geruststellend mee, haar blanke huid met duizend sproetjes rimpelt erbij rond haar ogen en haar lange haar, een waterval van rossige krullen, danst om haar gezicht. ‘Ik weet alleen niet zeker of ik je er vandaag nog tussen krijg. Als dat niet lukt, dan zul je later deze week terug moeten komen. Misschien wil ik je dan straks wel een nachtje ter observatie hier houden’, besluit ze.

Beteuterd kijkt Soleil me aan. ‘Liefie, dat nachtje, daar zie ik geen toegevoegde waarde in als het wachten op die scan lang gaat duren. Je ligt hier inmiddels al een halve dag en het is niet slechter geworden. Ik denk dat we over een paar uur meer weten, laten we nog maar even geduld oefenen.’ Gelaten knikt Soleil. Onze telefoons zijn nu bijna leeg en hierdoor ontstaat er een prettig soort vacuüm, waarin mijn kind en ik melige grappen maken, woordraadsels doen en kinderliedjes zingen. Het is heel intiem en mooi, zo samen. Ik geniet ervan. En om de zoveel minuten slaat mijn hart een slag over. Wanneer mag ze onder de scan? En wat is daarop wel of niet te zien?

Inmiddels is de zure receptioniste al een keer of vijf over de gang langsgelopen. Iedere keer kijkt ze naar binnen en trekt ze haar neus op en haar onderlip en kin naar binnen, als ze ons ziet. Ze lijkt te denken: daar heb je die vervelende moeder weer, met dat kind. Het is sowieso een bijzonder schouwspel, die beweging op de gang. We zien ongeveer ieder kwartier een ambulanceteam met patiënt in rollende brancard langs schuiven. Ik zou er niet aan moeten denken op deze afdeling te werken. En gelukkig zijn er mensen die daar anders over denken.

 

Kom hier

Soleil wordt het zat, het wachten duurt lang. Ze gaat voorzichtig rechtop zitten en staart naar de deur. Ze strekt haar rechterarm uit en maak met een kromme wijsvinger lokbewegingen. ‘Kom. Kom bij mij. Kom mij halen voor de scan’, zegt ze. We proesten het uit. Als ik op de klok kijk, zie ik dat het bijna vier uur is. Ik kan het nauwelijks geloven. De tijd passeert, terwijl wij niets anders doen dan samenzijn, als een dolle. De uren vliegen voorbij en nu ik me dat realiseer, besluit ik op de gang op zoek te gaan naar iemand die ons helderheid kan geven over de kansen om nog onder die scan te komen vandaag.

Ik klop op dichte deuren, loop de gang op en neer, kijk in alle kamers en ruimtes naar binnen. Het is wonderlijk; zo bedrijvig als het vanuit ons coconnetje oogt op de gang, zo verlaten is het er nu. Ik zie alleen tijdelijk uitgeschakelde mensen in verschillende stadia van ontreddering. Pijn, verwondingen en bloed. Dit zijn patiënten, zoveel is duidelijk. Geen medisch personeel te bekennen. Curieus.

 

Herinneringen

Ook op sectie C, kamer 1 is de narigheid niet van de lucht. Een jonge man strompelt, zwaar leunend op -zo blijkt- zijn collega, de kamer binnen en laat zich voorzichtig in bed 2 zakken. Hij kermt het uit, met lange uithalen. De gordijnen rond zijn bed gaan dicht zodra er een medisch team bij hem komt inventariseren wat er loos is. Al snel blijkt dat het om een liesbreuk gaat. Pijnlijk, niet levensbedreigend, hoor ik zeggen.

De metingen en controles die achter dat dichte gordijn worden uitgevoerd, jagen zonder dat ik er invloed op kan uitoefenen de tranen naar mijn ogen. Opgeteld bij de ongerustheid en de schrik van vandaag, het lange wachten en de onzekerheid met welk voorland wij het ziekenhuis zullen verlaten, zijn de geluiden die ik bij de buren hoor blijkbaar reden om een stortvloed aan oude trauma’s in mijn herinnering naar boven te brengen.

Ik zie me weer zitten, aan het bed van Pieter. Piepende geluiden, de geur van ontsmettingsmiddelen vermengd met dat van bloed en rubber en het smerige wasmiddel dat gebruikt wordt om ziekenhuislakens te wassen. De hopeloosheid, die ik met de grootste krachtinspanningen wist weg te drukken om er hoop voor in de plaats te zetten. Keer op keer, dag na dag. Een week lang.

 

Herpakken

Ik schud mijn hoofd. Lieve Pieter, denk ik, ik kan nu je hulp gebruiken. Ik wil niet denken aan het verdriet en de angst. Op slag word ik rustig. Soleil ziet mijn ontreddering. Ik hoef het niet uit te leggen. Ze kent mijn verhalen. En ook vindt ze het akelig als ik verdrietig ben, ze wil me opbeuren. Ik ga nu maar niet zitten uitleggen hoe groot het belang is om juist dit soort onverwachte oude pijn een weg naar buiten te gunnen. Ik heb tenslotte zelf gevraagd om hulp, zodat ik weer krachtig rechtop kan gaan zitten.

‘Ik heb geen enkele persoon in een witte jas gezien, zojuist op de gang’, vertel ik aan Soleil. Zij speelt met het bandje waar haar naam en geboortedatum op staan. ‘Hmmm’, zegt ze in gedachten verzonken. ‘Ik doe zo nog een rondje, want ik wil nu toch wel weten of je hier de hele dag voor Jan You Know Who hebt liggen wachten op een scan die vandaag niet gemaakt wordt’, vervolg ik.

Pulkend aan het bandje, zie ik Soleil een lachstuip onderdrukken. ‘Sommige mensen, mam, houden hun festivalbandjes wekenlang om’, lacht ze. En daar gaan we weer. De familie De Klerk – Van Vleuten is in da house, altijd gezellig met ons. Dat de man met de liesbreuk en de vrouw met de hoofdwond niet zo op ons gegiechel zitten te wachten, bedenk ik pas als we weer stil naast elkaar zitten en liggen.

 

Scan

Chris laat weten dat hij onderweg is, precies op het moment dan een vriendin appt dat ze een telefoonoplader kan komen brengen. Wat suf, dat ik dat niet aan een van de andere hulp-aanbieders heb gevraagd. In ieder geval is het nu niet meer nodig, want Chris heeft er een in zijn tas. Binnen een halfuur is hij er en heel kort daarna verschijnt de zaalverpleegkundige die de shift van Martin heeft overgenomen. ‘Soleil, je mag mee naar boven voor de scan!’

Ik heb gewenst dat ze geen infuus hoeft, omdat ze prikken zo eng vindt. Ik mag niet mee naar binnen en verzeker me er eerst van dat mijn wens wordt verhoord. Dat blijkt zo te zijn dus ik laat haar met de verpleegkundige meegaan. In die tunnel liggen met die pokkenherrie en een zinloze koptelefoon op haar oren om dat geluid, wat nog het meeste lijkt op een pneumatische slagboor die door een bergwand heen probeert te rammen, te dempen: dat redt ze.

 

Opnieuw komen er talloze herinneringen boven, deze keer aan mijn eigen ziekenhuiservaringen. Stampende scans, operaties en een bijna-doodervaring. De hele santenkraam dient zich aan en weer rollen de tranen over mijn wangen. Chris kijkt me vragend aan en we houden het maar even op ontlading. Ik wil niet op dit moment de aandacht op mezelf vestigen.

 

Een kwartier later wandelt mijn kind opgelucht naar buiten. ‘Wat een lawaai!’, glimlacht ze waterig. Ik pak haar hand, blij dat ik haar weer kan voelen. Met zijn drieën lopen we terug naar sectie C, kamer 1, omdat ons dat ik opgedragen. Daar moeten we wachten op de uitslag.

 

Spanning

Wachten. Wachten. Wachten. Weer duurt het lang en gebeurt er weinig. Soleils telefoon is weer een beetje opgeladen, dus ze checkt haar berichten. Ik staar naar het gat van de deur, boodschappen naar het universum zendend: ‘Mijn kind is tip top in orde. De arts komt binnen vijf minuten het goede nieuws brengen. We gaan gerustgesteld naar huis. En dan eten we PATAT!’

 

Het is ongeveer een halfuur later, als ik opnieuw over de gang dool. Deze keer tref ik de zaalverpleegkundige en vraag of zij weet hoelang het nog duurt. Ze gaat voor me op onderzoek uit, belooft ze. Omdat ik zie hoe druk ze in de weer is, durf ik de uitkomst van haar goede intenties in twijfel te trekken.

 

Na een uur schrijdt er een groepje van drie mensen in witte jassen de kamer binnen. Ze zwijgen, hun gezichten drukken geen enkele emotie uit. Ze stellen zich voor: het zijn artsen in opleiding. In mij strijden de emoties om voorrang. Als het foute boel is, zou Vlohil zelf wel komen, denk ik eerst. En daarna: als Vlohil een spoedje heeft, stuurt ze haar pupillen.

Mijn hartslag versnelt. Ook nu weer komt er een stroom aan herinneringen bij me boven, aan al die keren dat ik wachtte totdat de arts tegenover me het nieuws vertelde; de ene keer te hanteren, de andere keer ronduit vreselijk. De vrouwelijke arts in opleiding sluit met trage gebaren het gordijn rond het bed van Soleil. Alsof ze moed verzamelt, uitstel creëert. Ik houd het niet meer uit.

 

Verlossing

De ogen van de artsen in opleiding vinden die van Soleil. Ik zie het koppie van mijn dochter licht achterover kantelen, in afwachten van de boodschap die ze te horen zal krijgen. Haar ogen wijd open, overgeleverd. Ik zie iets wat ik bewonder: vertrouwen. Een kom-maar-op, het is al goed. Exact dat wat ik haar leer, wat ik haar voorleef, trekt zij hier uit haar rugzak. Zo bruikbaar, zo krachtig en zo intens voor mij als moeder om te zien.

 

Er breekt heel plotseling een brede lach door op het gezicht van de vrouwelijke arts in opleiding. ‘Zo, wij komen het verlossende nieuws brengen!’ Ik loop leeg als een te groot opgeblazen ballon. ‘Er is op de scan niets te zien wat kan duiden op zuurstoftekort in de hersenen, waardoor we met redelijke zekerheid kunnen vaststellen dat je geen TIA of hersenbloeding hebt gehad. Er zijn in je hoofd geen onregelmatigheden aangetroffen.’

 

Ik ben zó opgelucht! En Soleil ook, zie ik. Ondanks haar dapperheid en vertrouwen, is het toch wel heel erg fijn om bevestigd te krijgen dat alles goed is. ‘Wat fijn, ik heb kerngezonde hersentjes’, zegt ze blij. Voor de vorm informeer ik of er ook gekeken is naar een eventuele epileptische episode, maar daar is niet op onderzocht. ‘Dokter Vlohil vond dat gezien de verschijnselen niet voor de hand liggend’, besluit de vrouw.

 

Van jammer naar YES!

Om kwart voor zeven verlaten we met zijn drieën het ziekenhuis. Onderweg naar mijn auto huil ik schokkend de stress van vandaag, en ook maar meteen die van acht en twintig en dertig en veertig jaar geleden eruit. Welja, als we nu toch bezig zijn met de kast opruimen, dan meteen maar goed. Hand in hand met mijn lief kindje, huppel ik over de parkeerplaats. Zij hupt mee. We moeten een bijzondere aanblik bieden. Een mooie ranke meid van zestien, met aan haar hand haar moeder die niet helemaal jofel lijkt. Die met een glimlach van oor tot oor keihard loopt te brullen, waarbij de tranen gelijk de Niagra Falls over haar wangen stromen.

 

Het is dan maar zo. Verdriet is er om te doorleven. Geluk om te vieren. Vandaag gebeurt het allebei. Tegelijk. Wat de overhand heeft, is mijn intense geluksgevoel dat mijn kind in orde is. Vandaag is het feest.

 

Josje de Klerk – Van jammer naar YES!

 

 

 

Terug