Liefde, verraad en een bloedlijn

Ik heb een zus. Een halfzus eigenlijk, maar zo voelt het niet. 

We schelen 23 jaar in leeftijd en delen een vader. En behalve een vader, delen we overduidelijk een bloedlijn. Onze genetische raakvlakken leiden vaak tot hilarisch herkenbare situaties.  

Mijn halfzus was bijna 15 jaar geleden mijn verjaardagscadeau.

Ik wist van haar bestaan. Vanuit een onterecht gebleken overtuiging dat zij niet op mij zou zitten te wachten, zocht ik geen contact. 

Ik neem je een stukje mee de geschiedenis in. 

Mijn vader is geboren in 1913 (geen typefout) als Johannes Antonius de Klerk. Zijn initialen zijn de mijne: J.A. de Klerk. Hij trouwde en kreeg met zijn eerste vrouw twee kinderen: Joop en Wil.

Het huwelijk strandde omdat mijn vader op zijn 31e verliefd werd op een meisje van 18: mijn moeder. Je kunt je de verwarring, de pijn en het verdriet van alle betrokkenen waarschijnlijk voorstellen. We schrijven midden jaren 40; de oorlog was in volle gang.

Mijn moeder, een meisje nog, met vers in haar herinnering een tamelijk barre voettocht van het zuiden van Nederland naar het veiligere Haarlem, raakte zwanger. Ze was verliefd op mijn vader, een stoere militair, een mooie man. Ik denk dat ze dolgelukkig was met het kind in haar buik.

Wat ervoor gezorgd heeft dat hun eerste kind het levenslicht niet zag, weet ik niet. Mijn moeder verloor het voordat het levensvatbaar was. De keuze van mijn ouders om samen verder te gaan werd een paar jaar later alsnog bezegeld met de geboorte van mijn broer Bart.

Tot hun verbijstering diende ik mij 17 jaar later aan. Niet de bedoeling. Niet gewenst. Het huwelijk was inmiddels verworden tot een strijdperk. Ruzies, vechtpartijen en bedreigingen waren dagelijkse kost.

Mijn broer en ik waren er getuigen van. Als slachtoffers, onmachtig, afhankelijk en loyaal maakten wij er het beste van samen. Hij de grote broer met de brommer, ik het ‘zussie’ met de blonde pijpenkrullen a la Shirley Temple, spelend met poppen en met grote angstige ogen; bang voor het eeuwig dreigende onheil dat dik als mist in de lucht hing en me de adem benam.

Ik herinner me uit mijn jeugd het floers van raadselen. In de albums zag ik foto’s van lieve kinderen. Het jongetje vertoonde een sterke gelijkenis met mijn broer en het meisje had dezelfde blonde krullen als ik. Ook zij was een mini-Shirley. En ook in haar ogen was een oceaan van verdriet te lezen.

Deze mysterieuze kinderen werden aan mij gepresenteerd als de zoon en dochter van een vriendin van een zus van…  Zo lang mogelijk maakten mijn ouders het spoor, opdat ik het maar niet zou kunnen traceren.

Jaren later ontdekte ik dankzij een moment van dronken loslippigheid van mijn broer, dat die kinderen Joop en Wil heetten en onze halfboer en -zus waren.

Kort voordat mijn moeder overleed (mijn vader was toen al 20 jaar dood), overhandigde ze me een overlijdensadvertentie, zorgvuldig uit de krant geknipt en bewaard tot het juiste moment zich zou aandienen.

Dat moment was op de A9, onderweg van mijn ouderlijk huis in mijn Renault Clio met naast mij de halfdooie vogel die ooit mijn trotse mooie mama was.

Ik had haar na langdurig aandringen en met inmenging van de huisarts overgehaald de laatste maanden van haar leven bij mij te komen wonen, zodat ik haar door kanker geteisterde lijf en geest dagelijks met liefde zou kunnen omringen.

Nadat mijn moeder op haar ziekenhuisbed in mijn huiskamer was geïnstalleerd, las ik de rouwadvertentie aandachtig door. Joop, mijn halfbroer, was overleden. In de advertentie stond een contactadres. Mijn moeder zei: ‘Als ik er straks niet meer ben, weet je in ieder geval waar je moet zijn om dit deel van je familie te leren kennen, mocht je dat willen.’

Pas jaren later heb ik me gerealiseerd wat een ongelooflijk liefdevolle daad dit is geweest. Alle strijd, teleurstelling en verwijten voorbij, gunde mijn moeder mij mijn zus.

Regelmatig heb ik op het punt gestaan contact te zoeken. Ik deed het niet, bang dat mijn zus me zou verwijten dat onze vader haar, haar broertje en haar moeder verliet voor mijn moeder. Ik feite was ik het product van haar grootste verdriet.

In 2004 werd ik 40. Inmiddels waren ook mijn eerste man, mijn zwager en mijn broer overleden. Ik was getrouwd met Chris en onze Soleil was 3 jaar. Het huis zat vol visite toen de telefoon ging. Lachend om een staartje van een gesprek dat ik opving, nam ik op.

Ik kan nu nog de immense blijdschap voelen van dat moment, toen ik voor het eerst mijn zus sprak. Ze had kort daarvoor pas gehoord van mijn bestaan en via via had ze mijn nummer achterhaald. Ondanks haar wrange pijn en de diepe teleurstelling om het verraad van onze vader, zat ze wel degelijk op mij, haar kleine zusje, te wachten.

We zijn 15 jaar verder.
Mijn zus Wil en ik.

 

 

 

Vandaag gaf zij mij dit naambordje, ooit van mijn vader geweest. Ze vond dat het bij mij hoorde te zijn.

J.A. de Klerk.
Papa.
Ik.

Mijn zus Wil en ik.

We lachen om dezelfde dingen.
We halen op hetzelfde moment een lippenstift uit onze tas.
We stiften al pratend en elkaar aankijkend zonder spiegel onze lippen.

‘Hè!? Doe jij dat ook?’

We hebben totaal verschillende levens geleefd.
Zij is van een generatie boven mij.
Onze vader is haar pijn en mijn held.

Ze verwijt mij dat niet. Wat rest is wij.

We hébben elkaar. En het is zo onbeschrijflijk prachtig dat ondanks en dankzij alles wat er fout gegaan is, zeer gedaan heeft, verkeerd geïnterpreteerd is, wij weten: zij is er.

Mijn zus en ik.
(En onze vader).

Terug