De Toscaanse nachtmerrie

Terug van weggeweest

Na een lange radiostilte ben ik er weer. Met een hart vol van vreugde en een hoofd vol van mooie ideeën vertrok ik met mijn gezin half juli voor drie weken naar Bella Italia. Wat begon als de gedroomde Toscaanse vakantie, eindigde in een nachtmerrie.

De Toscaanse droom

Ons verblijf begon in een idyllisch dorp in de bergen. Een ooit door de Etrusken gestichte nederzetting, nu in ere hersteld, herbergt een vijftiental middeleeuws ogende huizen. Hier tussendoor meandert een grindweggetje, dat de huisjes met elkaar verbindt en waarlangs je het zwembad bereikt. Het is er rustig – en dat is precies waar we alle drie behoefte aan hadden.
Al snel pakten we het Zuid-Europese ritme op, niet in de laatste plaats omdat het verzengend heet was. We sliepen tot we vanzelf wakker werden, ontbeten met vers fruit en schuifelden rond het middaguur richting zwembad, om onder een parasol de hitte te trotseren.
Het sprookjesachtig mooie overloopzwembad hadden we vaak voor onszelf. De weinige andere gasten, overwegend West-Europees, konden maar moeilijk hun haastige ritme loslaten. Zij kropen in alle vroegte, voorzien van een lichte kater, op hun ligstoelen. Wanneer wij aankwamen, gingen zij ‘een broodje eten’, om de rest van de middag door een dampend hete stad te sjokken met hun tegensputterende kroost – dat helemaal niet naar een stad wilde. Bovendien willen de meeste witte mensen bruin worden en in de volle zon liggen, wat dodelijk is midden op de dag bij dergelijke temperaturen. Kortom: wij hadden regelmatig het rijk alleen.

In alle rust trokken we baantjes, doken we steentjes op, aten avocado’s en olijven en lazen tot we bijna versmolten raakten met onze omgeving.
Rond een uur of vier lunchten we, namen een douche en verkenden in de huurauto met airco onze omgeving. Zelden is op een vakantiebestemming zozeer mijn visuele verwachting van een landschap bevestigd als in Toscane. De heuvels glooien, de zon schijnt goud en gaat diep-oranje onder, de luchten zijn lavendelblauw met wolken zo wit dat het zeer doet aan je ogen, de landerijen zijn afwisselend frisgroen en lichtgeel, aan de horizon tekenen zich burchten, kathedralen en kastelen af en in de verte glinstert het zilverachtig blauw van de zee. Alleen al rondrijden zonder uitstappen was een belevenis. We konden er, met enig aanpassingsvermogen om überhaupt te kunnen functioneren bij een gemiddelde dagtemperatuur van veertig graden, wel aan wennen.

Inschattingsfout

Na twee weken schoven we een stukje op, richting de kust. Helaas heb ik bij het boeken van deze locatie een historisch dramatische inschattingsfout gemaakt. Denkend dat onze dochter van veertien behoefte zou hebben aan Nederlandse leeftijdgenoten, belandden we in een wat grootschaliger accommodatie met een enorm zwembad (zonder glijbanen, er zijn grenzen), met daaromheen voor ieder appartement twee ligbedjes. Alleen al dit gegeven had mijn alarmbellen moeten doen rinkelen, maar hoogstwaarschijnlijk stonden ze tijdelijk uit of er lag een dikke laag verblindend enthousiasme overheen. Laat ik me voorzichtig uitdrukken en zeggen dat deze plek niet helemaal onze stijl was. Een parkeerplaats vol gele kentekenplaten, patat en tosti’s in de bar bij het zwembad en heel veel Nederlandse gezinnen met heel veel Nederlandse kinderen in alle leeftijden, kleuren en afmetingen. En Soleil die kernachtig zei: ‘Dit had je écht voor mij niet hoeven doen hoor. Ik ga toch in die ene week niet investeren in nieuwe contacten, terwijl ik thuis zo’n hechte vriendengroep heb?’ Duidelijk.

Vuile onderbroeken

Wij zijn geen zeurders. We zetten gemakkelijk ons verstand op nul, passen de plannen aan en maken er het beste van. Dat namen we ons ook nu voor, terwijl we de eerste avond met een glaasje wijn op ons terras zaten te luisteren naar de ruzie bij de bovenburen uit de Haagse Schilderswijk (‘Gerrubun! Reum g@dvert@ring je veule onderbroekuh van de vloea. Ik krèg dur èg mepnèginguh van. Ik tel tot drie, pókkenjong dat je dur staat. Jij ben ‘r niet één van mèn, dat is zekuh!’).
Met moeite konden we ons lachen inhouden (inhàwuh). We wisten op dat moment nog niet dat dit de gebruikelijke manier van communiceren was in dit gezin. Gerben met de vuile onderbroeken, zijn zusje Chantal die de deur van de badkamer alsmaar niet wilde dichtdoen, moeder die ijverig heen en weer lopend ’s morgens om zeven uur op haar houten kleppertjes op de stenen vloer boven ons hoofd het ontbijt klaar zette en vader die ’s nachts om twee uur douchte en de wc doortrok – we zouden er een week lang op getrakteerd worden. En er niet aan wennen.

Onheilstijding

Die eerste avond dus, met ons wijntje, een spelletje kaart, de bovenburen gezellig keuvelend op de achtergrond, besloten we een hoop dagjes strand in te plannen om maar zoveel mogelijk de accommodatie te ontlopen. Plotseling hoorden we een ringtone. Het was al laat, wie zou ons nu nog bellen? Ik keek naar de deuropening, waar Chris met de telefoon aan zijn oor stond en zich vastgreep aan de deurpost, intussen krijtwit wegtrekkend. Zijn ogen spoten tranen, hij hapte naar adem. ‘Nee…. Dat meen je niet!’ Ik vloog van mijn stoel naar hem toe, greep hem bij zijn schouders. ‘Wie? Wat is er gebeurd lief? Iets met je ouders? De kinderen? Wat. Is. Er. Gebeurd!’
Het duurde even voordat Chris zijn stem terug had. Hij keek me verbijsterd aan en fluisterde: ‘Jeroen is overleden… Jeroen heeft zelfmoord gepleegd.’

Op de grond

Het volgende dat ik me herinner is dat ik op de grond van ons terras zat. Mijn benen hadden het begeven. Bevend over mijn hele lijf hees ik me op aan een stoel. Ik keek over de tafel naar Soleil, die op haar beurt als bevroren naar Chris zat te kijken, haar glas nog zwevend halverwege het tafelblad en haar mond. Om me weer in het nu te trekken, duwde Chris me zijn telefoon in handen, zodat ik zelf met de brenger van het slechte nieuws kon praten. Ik kon maar één vraag formuleren: ‘Wat zat er in zijn hoofd?’

Jeroen

Niemand, maar dan ook écht niemand in onze vriendenkring, had verwacht dat Jeroen dit zou doen. Vorig jaar oktober overleed mijn vriendin Miriam aan de gevolgen van uitgezaaide darmkanker. Jeroen was haar partner. Natuurlijk had hij verdriet, maar iedereen zag hem nu juist zo ontzettend het leven omarmen, naar Miriams wens. Hij ging weer uit, begon weer te daten, sloot zich aan bij een hardloopgroep, trainde voor de halve marathon en vond een nieuwe baan. Hij had zelfs plannen voor een project in het buitenland. Al zijn mailtjes en whatsappjes waren intens: soms heel verdrietig, soms heel filosofisch, maar meestal heel opgeruimd. ‘Hartelijk dinsdag lieve Josje, ik wens dat het zonnetje de hele dag voor je schijnt lieverd’, was een doorsnee tekst voor Jeroen.

Huilen en accepteren

Die nacht zaten we met zijn drieën rechtop in ons tweepersoonsbed. Voor ons op het laken lagen onze telefoons met daarin de berichten en foto’s van Jeroen en Miriam, wat hapjes en drankjes. Picknickend en proostend scrolden we door de visuele herinneringen heen en namen zo afscheid. Daarbij stroomden bij mij de tranen onophoudelijk over mijn wangen. ‘Mama toch,’ zei Soleil zachtjes. Ze sloeg haar arm om mijn schouders en legde haar neus troostend tegen mijn wang. Snikkend bracht ik uit: ‘Het is allemaal een beetje veel, geloof ik. Eerst overlijdt in september mijn nichtje plotseling, dan in oktober mijn vriendin, het voorjaar is ook niet helemaal vlekkeloos verlopen en nu knijpt Jerommeke er ineens tussenuit. Waarom heeft die floepert niets laten merken?’
Terwijl ik alle heftige gebeurtenissen van de afgelopen driekwart jaar de revue liet passeren, hoorde ik in mijn hoofd de echo van mijn laatste zin: Waarom heeft die floepert niets laten merken? Nou Jos, dat heeft ie niet gedaan omdat het niet de bedoeling was dat iemand iets van zijn plannen zou weten. Hij heeft dit gewoon écht gewild.

In de loop van de daarop volgende dagen voltrok zich een heel mooi en waardevol proces. Waar we eerst alleen maar verslagen en verdrietig waren, kwam na een dag of twee ineens het volle besef dat dat alleen maar met ons ego te maken had. Wij waren verdrietig om zijn dood, maar hoe verdrietig was Jeroen geweest om zijn leven? Wij vroegen ons af hoe hij tot zo’n besluit heeft kunnen komen, Jeroen heeft het besluit in alle stilte genomen en zich heel grondig voorbereid. Door deze vragen en antwoorden in mijn hoofd en hart te laten rondzingen, kwam ik na een paar dagen tot acceptatie. Ik voelde dat ik Jeroen alleen maar respect kon betuigen als ik bereid was zijn beslissing los te zien van de effecten die deze op ons, de achterblijvers had. En dat lukte. Ik schreef een in memoriam voor hem, met als titel: ‘Jouw ziel kon het gewicht van je gebrandmerkte leven niet langer torsen’.

De Toscaanse hemel?

Acceptatie was de sleutel om door te kunnen. Het hielp ons om niet te blijven steken in de rouw. We rouwen wel, maar met onze blik op de toekomst gericht en met ons hart vol liefde voor hen die ons ontvallen zijn. We voelen ons niet langer belemmerd, afgesneden, lamgeslagen door wat er gebeurd is. Door te accepteren en ons ego opzij te zetten, waren we in staat om – hoe paradoxaal het ook mag klinken – vanuit vergeving en respect naar deze ramp te kijken.

Nog steeds regelmatig intens verdrietig maar nu wel rustig, gedenken wij onze lieve vriend en zijn ‘Mirre’, met wie hij zich door zijn daad heeft willen verenigen. Ik wens ze van harte toe dat ze hand in hand een eeuwigdurende wandeling maken in het hiernamaals. Misschien ziet het landschap in de hemel er wel een beetje uit zoals in Toscane. Ik hoop het voor ze.

Terug