De ringtone van een ridder bracht mij terug op de IC

Vandaag kwam er een monteur de gas-, water en stroommeters vervangen. Het was een lieve jongen, zo een die van zijn ouders geleerd heeft om alstublieft en dank u wel te zeggen. Chris liet hem binnen en ik beluisterde hun korte gesprekje over de te nemen acties. We zouden een uurtje zonder water, verwarming en stroom zitten. Ik nam de gelegenheid te baat om te schrijven in mijn dromenboek.

Ik besloot nog even snel een espresso te nemen en liep de trap af, waar ik de jongen op zijn knieën voor de meterkast aantrof. ‘Goedemorgen, wil je misschien iets drinken?’, bood ik aan. Hij draaide zijn hoofd in mijn richting en deed iets uit de tijd van de ridders. Hij stond op.

Met een wat schuchter glimlachje bedankte hij. Nee, hij hoefde niets, ook geen watertje. Ik bekeek hem nog even goed. Dropzwarte ogen ter grootte van een twee-euromunt, kort pikzwart haar en een cappuccinokleurige huid. Een prachtkind. Die mij bovendien het gevoel gaf dat ik Máxima was, want hij bleef staan totdat ik onze hal verlaten had. Die beleefdheid, dat betoon van respect.

En ik kon duidelijk merken dat hij het niet deed om een wit voetje te halen, of omdat hij zich geïntimideerd voelde. Hij deed het omdat hij het zo geleerd had en dat iets goeds vond. Hij zal het in de toekomst ook zo aan zijn kinderen leren, vermoed ik. Ik vond het mooi.

Eenmaal terug in mijn werkkamer voelde ik me vrolijk; de omgangsvormen van de jongen hadden herinneringen opgeroepen aan tijden (sprak oma) dat deze algemeen geaccepteerd waren. Ik ging aan het werk en dacht nog vluchtig: Lekker, ik laat me vandaag door niets uit mijn concentratie halen!

Totdat ik een doordringende tweetoon hoorde, afkomstig van de telefoon van de jongen. In één klap was ik meer dan twintig jaar terug in de tijd, op de intensive care van het VU ziekenhuis in Amsterdam. De ringtone van de jongen was een exacte kopie van de alarmbellen die afgingen naast het bed van mijn eerste man Pieter, die kort daarna zou overlijden.

Ongelooflijk wat ons brein kan. Niet alleen zag ik haarscherp voor me hoe de kamer waarin Pieter lag eruitzag, hoe de verpleging de ruimte binnen sprintte en mij opzij veegde zodat ze erbij konden. Ik rook ook meteen de doordringende geur van jodium en steriele lakens, terwijl in mijn oren het snerpende geluid van de monitor klonk, die tweetonig aangaf dat Pieters hart stilstond.

‘Ja, is goed!’, hoorde ik beneden de jongen zeggen, waarna hij zich weer in toegewijde stilte richtte op zijn werk. Intussen staarde ik door een waas van tranen naar mijn droomboek. De letters dansten een regendans, mijn hart sloeg in een alarmerend hoog tempo tegen mijn ribben, mijn handpalmen waren vochtig.

‘Is goed’, herhaalde ik zachtjes de woorden van de jongen. Het waren dezelfde woorden die ik ook tegen Pieter zei, vlak voordat hij stierf. Met die woorden hoopte ik hem als ultieme daad van liefde een keuze te geven. Als hij zou blijven leven, zou dat met enorm veel beperkingen zijn, zo niet als ‘kasplant’.

Ik fluisterde Pieter in dat ik hem de rest van ons leven trappen op en af wilde dragen, luiers wilde verschonen en rolstoelen wilde duwen, als hij bij ons wilde blijven. Maar hij moest het niet voor ons doen. Als hij koos onder die omstandigheden te blijven, dan zou dat voor zichzelf moeten zijn. ‘En als je dat niet wilt en het is aan de overkant mooi, ga dan mijn lief’, prevelde ik in zijn oor. Luid en duidelijk hoorde ik in mijn hoofd zijn stem: ‘Het is daar mooi. Ik ga.’ En ik zei: ‘Is goed’.

De jongen is klaar. We hebben weer stroom en water en het huis wordt langzaam weer warm. Ik knipper mijn tranen weg en sta op om de jongen gedag te zeggen. Dan gaat opnieuw zijn telefoon. Ik sta stil, houd mijn hoofd schuin. Ja, het is precies dezelfde tweetoon. Ja, ik zie opnieuw de beelden en voel opnieuw het verdriet. Alleen overspoelt het me nu niet.

Ik heb weer wat oude pijn, die waarschijnlijk nooit meer helemaal oplost, toegelaten op het moment dat die zich aandiende. Dat doe ik altijd. Op de meest onvoorziene en in de ogen van anderen wellicht onhandige momenten kan ik in janken uitbarsten. Om iets waarvan ik me haarscherp herinner hoeveel pijn het deed.

Ik mag dat van mezelf. Ik juich het toe. Bij mij, bij mijn dierbaren, bij mijn geliefde klanten. Opruimen die kast, water hozen, parkeergarage legen. Want pas dan, als je de associatie toelaat inclusief de bijbehorende (oude) pijn, ontstaat er ruimte. Allereerst ruimte om te kiezen hoe jij jouw werkelijkheid wilt vormgeven.

Dank je wel jongen. Dank je wel brein. Dank je wel levenservaringen die mij in staat stellen voluit te leven. Vrij en ontspannen te zijn. Te groeien, te genieten en gelukkig te zijn.

Dank je wel Pieter, dat jij voor mij het ultieme voorbeeld van leiderschap en kiezen bent geweest. En dat je er was. Dat ik nog altijd van je mag houden, waardoor je een onderdeel bent van mijn leven en dat van mijn prachtige gezin, met wie ik opnieuw iedere dag het levensgeluk vier. Ten volle.

 

Ps: heb je de verhalen over Pieter nog niet gelezen en wil je dat wel, dan hierbij de links:

https://josjedeklerk.nl/jong-weduwe-mijn-verhaal/

https://josjedeklerk.nl/jong-weduwe-het-vervolg-een-verras…/

Terug